Ademhalen op 18 meter diepte

Anderhalve week geleden lag ik, varend tussen Lombok en Flores, drie nachten lang met 38 anderen op een bootdek. Op een dun rubberen matje, met één laken dat je voor de keuze stelde: kruip ik eronder, of blijf ik liever niet vastplakken aan het rubber? Geen privacy, geen rust, maar wel de hoop dat het discomfort zou omslaan in herinneringen die de moeite waard zijn.

In mijn hoofd zag ik het al voor me: diepe gesprekken bij het deklicht, lachen en connecten. Maar in werkelijkheid voelde ik me vooral een antropoloog op mezelf. Vanaf een veilige afstand scande ik de groep: Hoe ga ik bewegen? Waar kan ik verbinding maken en waar moet ik juist mijn sociale radar uitzetten?

Ja, ik was één van de ouderen. Geen drama, er waren een paar 25-plussers aan boord en die bleken verrassend chill. Maar soms voelde het alsof ik op een andere zender zat. Alsof ik door een verkeerde frequentie scrolde, terwijl de rest van de groep moeiteloos hun playlist afspeelde. En die playlist bleef vaak hangen in een snelkookpan van smalltalk: waar kom je vandaan, hoe lang ben je onderweg, wat doe je eigenlijk?

Mijn geslepen nomadenpraatje begon me oprecht te vervelen. Ik snakte naar stilte, een boek, of een écht gesprek.

Mijn vriend daarentegen draaide op volle toeren. Alsof iemand hem in de sociale zesde versnelling had gezet. Hij gleed moeiteloos door de groep, kletste met iedereen (vooral met de dames natuurlijk) en wist bij elke stop een nieuwe inside joke te lanceren.

En ik? Ik zocht ergens halverwege de volumeknop. Niet full-on meedoen, maar ook niet volledig verdwijnen. Vier dagen lang was ik sociaal genoeg om mee te tellen en vier dagen lang vermeed ik de types die binnen vijf minuten in mijn allergiezone zaten. Je kent ze wel: te luid, te aanwezig, alsof ze met een denkbeeldige microfoon rondlopen en denken dat ze de hele boot moeten vermaken.

Deze boottocht leerde me iets over sociale balans. Hoe snel je jezelf kunt verliezen als je voortdurend voelt wat anderen nodig hebben. Hoe lastig het is om de grens te bewaken tussen erbij horen en jezelf blijven. Hoe vermoeiend het is om steeds opnieuw te moeten shinen, of juist weg te duiken.

En die balans is al helemaal onvindbaar als er geen plek is om je terug te trekken, geen matras om je gedachten op te parkeren, maar wél een wc die je met een emmertje moet doorspoelen.

Maar goed, ook oncomfortabele chaos is ergens goed voor, want uiteindelijk bleek dit brandstof voor herinneringen waar ik met een brede, licht ongeloofwaardige grijns op terugkijk.

En toen… kwam Komodo. Wéér een boot, zelfde setting, maar een totaal andere energie. Een duiktrip. Verademing. Want duiken ís een groepsactiviteit, maar eentje met een ingebouwde stilteknop. Geen biografische uitputtingsslag, maar hooguit gesprekken die vanzelf landen in één gedeelde obsessie: de onderwaterwereld.

En dan spring je het water in…

en is er niets.

Geen smalltalk, geen geluid. Alleen een oase van rust, visjes, koraal, gewichtloosheid. Een heel universum dat je niet hóéft te bespreken, maar dat iedereen toch samen beleeft. Ik zwom met gigantische manta’s, voelde mijn hart bonzen van extase en maakte onder water de meest enthousiaste ‘shaka’ met mijn duim en pink.

En het allermooiste?

Iedereen was gedwongen tot innerlijk juichen.

Soms zit het ‘samen zijn’ niet in praten, maar in kunnen zwijgen. In geen houding hoeven aannemen en geen sociale handstand hoeven doen om ergens tussen te passen.

Op een dek vol matjes kun je je soms sociaal verslagen voelen. Onder water met een tank op je rug, juist compleet verbonden.

Adem. Adem uit.

Radar aan. Radar uit.