De Bali Body Battle

Ik dacht dus écht dat mijn figuur er best mocht zijn… tot ik op Bali aankwam. Serieus, iedereen lijkt hier een tropische fit-fluencer. Ik heb het dan niet over de “eiwitshake en een beetje pomp in Sportcity”-variant, maar echt een volledige Baywatch-scène.

De gemiddelde Bali-babe rijdt hier op haar scooter voorbij in een sportsetje waarvan het broekje en de sport-bh exact dezelfde kleur hebben. Zonder matchend setje de straat op voelt hier alsof je op hakken het strand op wandelt: het kan, maar je mist duidelijk de memo.

Natuurlijk had ik Bali wel ingebeeld als surf-sport-yoga-oase. Maar tussen de spirulina shots en cacao ceremonies krioelt het hier óók van opgepompte testosterontanks en een eendenbekkenleger. Ik doel dan op de lippen die eruitzien alsof ze vrijwillig verloren hebben van een bijenzwerm, niet dat apparaat bij de gynaecoloog.

Niet mijn ‘cup of tea’, maar al die strakke lijven werken best motiverend. Ons ritme begon, zoals bij zovelen, met drie keer per dag uit eten. In de ochtend: smoothiebowls. Elke dag. Maar toen we een appartementje vonden (lees: een koelkast en een aanrecht), besloten we dat het tijd werd voor een minder Instagrammable maar wél gezond ontbijt: overnight oats. Havermout, noten, fruit en kaneel.

Koken op Bali kan je vergeten. Een westers boodschappenmandje is hier duurder dan een binnenlandse vlucht. En waarom zou je zelf nasi maken als de warung het voor twee euro beter doet? Toch is de warung ook een mijnenveld. Naast tempeh, tofu en gekookte groenten liggen de gefrituurde maiskoekjes en loempia’s verleidelijk te glimmen. Meestal blijf ik er stoïcijns vandaan. Behalve op hormonale dagen. Dan wint de loempia.

Lunch is hier dus altijd warm. Af en toe wint mijn innerlijke liefde voor westers eten het, en stel ik voor om een keer de warung over te slaan. Maar dan weet je ook dat je vier keer zoveel betaalt. We doen het heus wel hoor, maar met mate.

Het voordeel van dit eetritme: je eet drie maaltijden per dag en dat is het. Geen snackla, geen chips-of-chocola-dilemma’s en geen AH-Bonusaanbiedingen. Bali heeft me, op een incidenteel ijsje na, snackvrij gemaakt. Voor iemand met een actief craving-leven is dat oprecht baanbrekend.

En dan het sporten. Je móét hier bijna wel. De gemiddelde strandganger ziet eruit alsof hij/zij morgen meedoet aan een modeshow én een Ironman, dus sloten we impulsief een veel te duur zeswekenabonnement af bij de sportschool.

Ik vond er zowaar mijn ritme, vooral op de begeleide ‘treadmill runs’, waar ik fanatiek mijn hardloopflow hervond. Tot het moment dat mijn vriend op een ochtend merkte dat er geld was afgeschreven voor een ClassPass-abonnement…

Oeps, proefperiode vergeten stop te zetten. Maar hé: 50 euro armer betekende 45 credits rijker! Net als in Nederland kon ik op Bali losse sportlessen volgen bij verschillende sportscholen en zo ontdekte ik een nieuwe wereld van absurde sportvormen: Hatha yoga, waarbij ik vooral afgeleid was door m’n eigen gedachten en veel te theatrale docent. Cycle Rides: techno rave meets zumba op een spinning fiets én Reformer Pilates: een kruising tussen een martelbank en een Ikea-bedframe met elastiek. Die laatste viel het best in de smaak.

Toen mijn credits op waren, keerde ik terug naar de loopband. Laatst stond ik tussen twee Gen-Z’ers: een jongen die live ging op TikTok (microfoontje, wandeltempo 4 km/u) en een meisje die (nog langzamer) op haar iPad een serie keek. Een iPad. Op de loopband. Op dat moment voelde ik me geen dertiger, maar een fossiel. Welkom in de nieuwe wereld van cardio. Het nieuwe, sportieve normaal definieert blijkbaar meer scrollen dan zweten.

Maar goed, ik dwaal af. Want waar het hier echt om gaat, is dit: fit zijn op Bali is geen innerlijke reis, het is uiterlijke overleving. Als de massa matcht, wil je niet de enige zijn die uit de toon sport.

Dus daar ga ik. Drie keer in de week in een florerend, matchend sportsetje. Ná mijn bordje tempeh en gekookte groenten. Zonder TikTok. Zonder iPad.

Bali body: I’m coming for you.