Softtops en grootspraak
Er zijn van die activiteiten die er vanaf een afstandje uitzien als een vibe. Yoga bij zonsondergang. Pilates tussen de rijstvelden. En surfen natuurlijk, in een tropisch klimaat. In de branding liggen, tanlines, zoute haren, soepeltjes over het schuim glijden terwijl je innerlijke monoloog roept: fuck yes, I’m living the life.
Toen ik aankwam in Australië wist ik: ik móét leren surfen. Wij moeten leren surfen. Je kan toch niet zó lang Down Under zijn zonder surfen onder de knie te krijgen? Dat is als naar Italië gaan en geen pasta eten. Of op retraite gaan en vragen waar het bier koud ligt.
Wat is dat toch met die surf obsessie van ons westerlingen? Die onverzadigbare drang om nét zo moeiteloos op een plank te staan als locals die al sinds hun derde in zee liggen? Alsof surfen net zo aan te leren is als zuurdesem bakken, of mediteren via Headspace…
Onze reis begon in buitenwijk Manly, het Bloemendaal van Sydney. Wakker worden daar voelt alsof je een fitnesscommercial instapt. Om half zes ’s ochtends is de hele wijk in beweging. Hardlopende moeders met buggy’s én labradoodles. En daartussen neem je een kudde wetsuits waar die als sardines op zee dobberen, wachtend op de perfecte catch.
Ik heb het niet per se gezien (meestal vocht ik dan nog met mijn jetlag) maar het was duidelijk dat je hier fit hoort te zijn. En te surfen. We waren geïnspireerd, dus huurden we onze eerste softtop: een log van drie meter die meer weg had van een vlot. Maar hé, kleine succeservaringen! Rechtop in het schuim, zwaaien naar het strand en een foto voor de familieapp… We voelden ‘de vibe’.
Toen we eenmaal onze auto hadden, weg konden uit Manly en hierdoor ons banksaldo weer ademhaalde, besloten we ironisch genoeg dat het tijd was voor de volgende stap: surfplanken kopen. Twee zelfs. Want wat past er beter bij ‘zuiniger aan doen’ dan een impulsieve, sportieve aankoop? We vroegen advies in een surfwinkel en kregen te horen: “Koop op progressie.” Surfshoptaal voor: koop iets dat je nu niet aankunt, maar dat er cool uitziet op het dak van je 4×4.
Dus dat deden we. Twee glimmende, té kleine softtops waarop we, volgens de verkoper, binnen no-time zouden rocken. We waren immers sportief en deden al aan andere boardsporten. Hoe moeilijk kon het zijn? Spoiler: in vijf maanden hebben we misschien vijf keer een golf geprobeerd te timen. Geprobeerd ja. De plank der illusie. Het enige wat we timeden, was onze keiharde frustratie. De plank, die sloegen we mis.
We waren te hoogmoedig. Te snel. Te gretig. Te dom.
Fast forward naar half april, Bali. Ik was terug bij af, met opnieuw zo’n softtop van een ‘feet’ of tien die me meer aan een luchtbed doet denken dan aan iets sportiefs. Ik boekte een les. Mijn lerares was een pittige Indonesische tante in een kittige shorty. Ze vroeg m’n niveau. “Ehm… een beetje ervaring… maar het gaat niet van harte,” mompelde ik. Ze knikte vriendelijk, maar haar ogen zeiden: Ik ga je breken.
En dat deed ze.
“PADDLE! PADDLE! PADDLE!”
“What did I say to you? Distance between legs!”
“Don’t stick you butt out that much!”
In het moment voelde het als een drill, maar achteraf was ik best dankbaar. Een echte surfsergeant: keihard, maar effectief. Ook liet ze me weten dat ik écht nog heel erg beginner was. Thanks.
Nu lig ik er weer. Batu Bolong beach. Zo’n drie keer per week, tussen de honderd andere zoekende Westerse zielen. Op een acht feet softtop, iets wendbaarder, iets sneller. Dat lukt inmiddels. Maar als ik een golf mis, hoor ik haar weer brullen in mijn hoofd.
Eén ding prent ik in: surfen is een ego-les verpakt in tropisch piepschuim, geen hobby. Begin klein. Verwacht niks. Wees niet te hoogmoedig.
Surf niet op ambitie. Surf op gevoel. En weet: een softtop is geen schande. Hoogstens een reminder dat je aan het leren bent.
En als het écht niks wordt…
Dan kun je altijd nog gaan joggen met een buggy en een labradoodle.
