Mijn routeplanner heeft geen toekomst optie
Ergens rond mijn dertigste veranderden verjaardagen in kraamvisites en borrels in verbouwupdates. Opeens ging het nergens meer over reizen of dromen, maar over ovulatiedagen, rentestanden en welke kleur voegmiddel bij de badkamer paste.
Vlak voor ons vertrek hadden we in één week drie kraamvisites van mijn vrienden. Nog snel even alle baby’s bewonderen voordat we ze pas na hun eerste jaar zouden zien. En eerlijk? Na de laatste beschuit met muisjes dacht ik: Ja, oké. Als wij terugkomen, dan moeten we ‘er’ ook maar aan gaan beginnen.
Want zo hoorde het, toch? Dertigers verzamelen huisje, boompje, baby. Een mooie baan, een vaste plek, een goed gevulde spaarrekening. Een toekomst, of op z’n minst een plan.
Maar toen ik, maanden later, op een verlaten camping ergens in de Australische outback tegen mijn vriend begon over onze toekomst, kreeg ik allesbehalve het knikje waar ik op hoopte. “We zijn nu hier,” zei hij. “Wat ik straks wil, dat kan ik je nu nog niet vertellen.”
Mijn innerlijke controlfreak kreeg een kortsluiting waar een gemiddeld stroomhek jaloers op zou zijn. Het gesprek leidde tot autostoeltherapie. Want dat is het leuke aan reizen met je geliefde in een veel te kleine auto: je kunt nergens heen. Alles wat je normaal uit de weg zou gaan, moet je hier aankijken. Onze relatie heeft heus onder vuur gestaan, omdat we bleven praten en niet omdat we elkaar negeerden. Omdat er simpelweg geen ruimte was om ervan weg te lopen. Letterlijk.
En nee, we kwamen niet tot een magisch moment met een grote datumprikker. Er was geen aha-moment waarin we besloten “nu of nooit”. In de maanden na mijn ‘dertigercrisis-gesprek’ begon er bij mij iets te kantelen. Ik vroeg me af waarom ik zo graag ‘erbij’ wilde horen. Waarom ik mee wilde in een flow die eigenlijk niet de mijne was. Waarom voelde het als falen om niet met de rest aan iets mee te bouwen? Waarom leek hun zekerheid ineens aantrekkelijker dan mijn vrijheid?
Misschien omdat het makkelijker is om de gebaande paden te volgen dan om je eigen weg te zoeken. Misschien omdat ik niet alleen bang was om iets te missen, maar vooral bang was dat ik zélf de verkeerde afslag had genomen. Maar weet je wat? Inmiddels weet ik beter. Er is genoeg vertrouwen en liefde om te weten dat het allemaal wel los zal lopen.
De zin die we het meest vaak hoorden toen we vertelden dat we alles zouden achterlaten om te reizen, was: “Wat jullie doen, dat zou ik echt niet kunnen.” Maar nu draai ik ‘m moeiteloos om: wat zíj doen, dat zou ík nu nog echt niet kunnen. En daar zit iets moois in. Want ik heb oprecht bewondering voor mensen die wél al zover zijn. Die kiezen voor stabiliteit, voor gezinsleven, voor een leven dat geworteld is. Net zoals zij misschien met bewondering naar ons kijken, terwijl wij wéér ergens op een eiland zitten zonder idee van morgen. Twee totaal verschillende wandelpaden, allebei met blaren, maar ook met uitzicht.
En misschien is dát wel wat het evenwicht geeft: dat we elkaars route niet hoeven te lopen om elkaar toch te begrijpen.
Dus nee, we trouwen nog niet.
We maken geen plannen tot het pensioen.
We hebben geen Pinterestbord voor babykamers.
We hebben een backpack, een tijdelijk appartement op Bali en een vaag idee waar we over twee weken zijn.
En dat is voor nu meer dan genoeg.
Laat de wereld maar rennen naar volwassen mijlpalen. Wij dwalen nog even naar het onbekende. Zonder route en zonder haast.
En misschien… met een beetje geluk… Komen we precies op tijd, nergens aan.
